Uit: Herinneringen en verhalen van Jan Karel van Drunen,( geb. 1882, geschreven in 1978) p.55-57

 

Den Haag

Het was 1926. De memorieschrijver dus 44 jaar. Hij kreeg, zoals vaak met mannen op die leeftijd gebeurd, de lust om nog eens in een nieuwe werkkring een andere plaats te verkrijgen. Misschien de zucht naar verandering. Daar kwam nog iets bij. De hoofdaktecursussen zouden door wetswijziging vervallen. Dat dreigde ook met de normaallessen te gebeuren. Ik hield van dit werk. Dat porde me mee aan eens naar een nieuwe betrekking om te kijken. De leeftijd vroeg: geen uitstel meer. Twee advertenties voor hoofd trokken mijn aandacht, de ene voor Scheveningen de andere voor Den Haag. Het besluit werd: solliciteren.
In beide brieven geschreven, dat ze over mijn persoon en werk, behalve bij mijn schoolbestuur ook terecht konden bij de schoolopziener van district Den Haag, de heer Patist. Scheveningen meldde zich het eerst en vroeg me een proefles te komen geven. Ik schreef Schevenings bestuur dat een 16-jarige ervaring als hoofd van een grote school, en lesgever aan hoofdaktecursussen in Goes en Vlissingen mij ontsloeg van proeflessen. Kom hier om kennis te maken en u kunt zoveel lessen van me bijwonen in mijn eigen school. Uit Scheveningen heb ik nooit meer iets gehoord. Den Haag pakte het anders aan.

Op een middag verschenen drie heren van het hervormd schoolbestuur. Na een kennismaking en rondgang door het schoolgebouw vroeg ik hun, wat ze het liefst hadden: één of meer lessen bij te wonen in het 7de leerjaar, of het gesprek voort te zetten onder een kop thee, met iets erbij op mijn kamer, dan wel allebei. De thee en het gesprek werden gekozen. Gemerkt had ik hun verwondering over projector en verduisterde inrichting in mijn 7de klas. Voor die tijd iets heel bijzonders. Naar de boekhandel. Over de marmerbevloerde gang, de eikenhouten gebeeldhouwde trap naar mijn kamer, waar de open kaard flikkerde, de grote mahonie kabinetkast glansde, grote vensterkussen mode en een engeltje aan het plafond van vrede en rust vertelde. Ik zag wel dat het verbazing over de “kasteelheer” gaf. Een gesprek van een uurtje diende om te zien hoe veel de kasteelheer geestelijk woog. Ongeveer drie nieuwe heren. Voor dezen was ook het gesprek hoofdzaak. Toen ze bij het heengaan me vroegen waar goede Zeeuwse babbelaars te koop waren om die mee naar Den Haag te nemen, vroeg ik na winkelaanwijzing op mezelf wijzend: “En willen de heren deze Zeeuwse babbelaar ook naar Den Haag meenemen?”. Wat hebben ze gelachen, zeiden niets, maar hun ogen zeiden alles. In september 1926 naar Den Haag wat een roerend afscheid van de familie Smits ten gevolge had en een kort bezoek aan het kerkhof. Voorbij.
Voor de augustus vacantie had ik met het personeel van de school kennis gemaakt, en doorzag waarom er meer belangstelling was geweest voor de mens dan voor de onderwijzer in mijn persoon. Het personeel had 3 leden, ouder dan schrijver dezes. Een hiervan, de heer Van der Post, tevens voorlezer in de kerkdiensten in de grote St. Jacobskerk van de hervormde gemeente in Den Haag aan de school vele jaren als plaats vervangend hoofd verbonden, had mede gesolliciteerd. Hij had getracht via de gunst van ouders de benoeming te verkrijgen. Met flambard, donkere kleding, forse gestalte had hij iets van het deftige, dat in Den Haag in 1926 en daarvoor, de deftigheid in het gezag omringde. Dan was er een zestal, dat in leeftijd me dicht naderde, de 5 overigen waren jonger. Onder de vijf was de dochter van de overleden heer Pelser, het hoofd der school.
Vandaar dat voor het bestuur voorop stond, zou het te benoemen hoofd dit kunnen mannen, met takt optreden. Als ambulant hoofd kwam de bekwaamheid als onderwijzer naar bestuursinzicht op de tweede plaats. Later was het me mogelijk de benoeming nog beter te doorzien, door een gesprek met de heer Patist, die bij mijn investituur aanwezig was. Hij vertelde me met voldoening, dat dit de eerste maal was dat hij bij een benoeming bij het bijzonder onderwijs geraadpleegd was.
De weg over de rug van de heer Patist had tot een goed eind doel geleid. Aan Johannes had ik gevraagd zich geheel buiten de benoeming te houden. Voor hem en mij het beste. Dit was gebeurd.
Schoolgebouw en schoolbevolking. Het schoolgebouw was van 1911, dus 15 jaar toen ik kwam. Een zeer degelijk gebouwde 14 klassige school, met grote ramen, hoge plafons, goede verlichting, goede centrale verwarming, goede ventilatie, mooi gymnastieklokaal, een personeelkamer, kamer voor hoofd, kamertje voor concierge, wasbakken in elk lokaal, keurige W.C., waar ik 2 maand na mijn komst toiletpapier in liet aanbrengen; voor die tijd een mooie zeer moderne school. Alles was goed onderhouden, zelfs de schoolbanken zonder krassen of namen. De prima concierge verzorgde alles, droeg graag de verantwoording, was bovendien een bekwaam timmerman om klusjes op te knappen. De schoolbevolking 1926, 420 leerlingen, 1930-500, 1934-520, 1938-450, 1942-380 kwam uit de kleine middenstand: politie, post, kleine winkelier, melkboer, werkmensen bij spoor: gemeente enz. De school had de naam een nette schoolbevolking te hebben. Ook dit had invloed. De kinderen zagen er dan ook goed gekleed en verzorgd uit. Hoofdluis kwam spaarzaam voor. De gemeentelijke “pietenzuster” controleerde getrouw. Gedrag der leerlingen: normaal. Het intellect lag wat hoger dan in Middelburg. De schoolverlaters gingen in meerderheid naar ambacht of industrie, MULO onderwijs, een enkele leerling naar de HBS. Mijn jaren lange ervaring bij de volksschool is het geheel met de conclusie van Luning Prak, een bekende tester in die dagen, eens, dat zo ongeveer 2 of 3 procent in staat is het middelbaar en hoger onderwijs te volgen. Een ander verschijnsel was dat bij een groot deel van de 12 tot 14 jarige leerlingen de lust tot onderwijs en ontwikkeling sterk doofde.
Nog een verschijnsel. In de jaren 1926-1939 deed de wijkbevolking sterk aan verhuizen. Het gevolg was, dat hoogstens 1/3 van de leerlingen hun schooljaren geheel aan de Marnixschool volbrachten. Een voordeel was: de school had halfjaar klassen. Daardoor was het mogelijk de invallende leerlingen veelal de plaats te geven die overeenkwam met hun vorderingen. Dat het wel eens een half jaar verlies opleverde is begrijpelijk. Geen ouder heb ik daar ooit over horen klagen. Merkwaardig: zo goed als zeker is een half jaar winst nooit voorgekomen. Dat kon toch ook!
Het personeel: 6 dames en 8 heren voor de 14 half jaar klassen; 5 dames voor nuttige handwerken, een gymonderwijzer en een concierge. Mijn verhouding met hen is zeer prettig geweest, we konden goed met elkaar opschieten. Mijn indruk is geweest dat ze me zeer waardeerden. Ook de oudsten. De dochter van de 60 jarige Van den Berg heeft me dit herhaaldelijk gezegd. Van der Post, tegen de 63 toen ik kwam, mijn concurrent, een best, brave welwillende man was niet gezond meer. Op. Gezorgd heb ik dat hij een kleine klas kreeg. Een paar jaar later kreeg hij een hartaanval. De huisarts hield hem 3 maanden thuis. Toen hij van de dokter zijn werk weer mocht beginnen, zag ik: het is hem te zwaar. Naar Ds. te Winkel, de secretaris en “orgeltrapper” van het bestuur. Hem verteld, dat Van der Post met 6 maand 65 werd, dat mijn indruk was dat het werk hem te zwaar werd, en voorgesteld hem die 6 maanden thuis te laten met behoud van vol traktement en hiervoor de dokter te raadplegen. Meer dat 40 jaar had Van der Post de hervormde scholen in Den Haag gediend, vroeger met zo’n klein salaris, dat hij met zijn gezin op de rand van de armoe geleefd had. Het vol tractement zou bovendien na dokters advies voor een groot deel uit overheidskas worden betaald. Ik kreeg het niet gedaan. Van der Post mijn ervaring verteld en gezegd: Beste Van der Post je thuis laten kan ik niet, maar voor de klas kom je niet. Je klas neem ik over, je gaat in een makkelijke stoel in mijn kamer zitten, je doet wat administratie, of leest wat, of doet niets. De concierge brengt je een kop koffie of warme melk naar je hebben wilt, neem een middagslaapje en ga dan naar huis zonder je aan de schooltijd te storen. Dat neem ik op me. Drie maand later is Van der Post overleden.
D. te Winkel hield de begrafenisrede. Na zijn toespraak vroeg hij of ik nog spreken wilde. Mijn antwoord: Niet nodig. Hoe ik gedaan had wist hij niet, en niemand wist het dan het personeel op school. Thans nog (1978) hangt boven de deur van mijn kamer de schildpad, die ik van zijn zoon, hoofd van een school in Minnhasse (Noord Celebes) bij zijn terugkeer in Nederland gekregen heb met de woorden, veel dank voor de hulp van en de omgang met mijn vader. De zoon is hier administrateur van Simavi geworden en vroeg overleden. De schildpad zegt me zo dagelijks:denk er aan Jan Karel, een kleine daad van hulp is meer dan een brede verkondiging van kerkelijke dogma’s. D. te Winkel was zeer confessioneel. Bij de eerste kennismaking heb ik met grote zorg mijn woorden gekozen. Bij de dochter van het overleden hoofd Pelser gekomen: mijn komst is moeilijk voor u, ik hoop het zo te maken, dat u het kunt aanvaarden als het beste, meer is mij niet mogelijk. Op de eerste zondag dat ik in den Haag was heb ik bij haar moeder op invitatie gedineerd, ze wilde me bedanken voor de rust die mijn woord aan haar dochter had gegeven.
Later begreep ik. Bep Pelser deed haar uiterste best om een goed onderwijzeres te zijn. Ze was nerveus en had moeite de klas baas te blijven; het kostte haar grote inspanning. Mijn woord kon ik waar maken. Dat is gebeurd. Ze is niet oud geworden. In 1948 is ze op 46 jarige leeftijd overleden. Heer Pelser was zeer muzikaal, leerde kinderen goed zingen, had zangkoren en zijn zangboek met christelijke liederen was het beste wat in die tijd bestond. En zijn opvolger kon geen zangles geven!
Drie leden van het personeel zijn mijn leerlingen geworden, 2 op de hoofdakte cursus en één privé. Eerst iets over deze privé leerling. Bij mijn komst was hij een man van 29 jaar, gehuwd, 3 kinderen, zonder hoofdakte. Had het financieel moeilijk. Begiftigd met een uitstekend verstand had hij porren nodig om dit te gebruiken. Een prima onderwijzer. Na een jaar wat ingeburgerd te zijn had ik dit gesprek met hem: Beste Zoeten, je intellect is zo, dat je met gemak je hoofdakte kunt halen. Het verhoogt je salaris, geeft je voldoening, meer mogelijkheden. Hij vond zich te oud om nog naar een hoofdaktecursus te gaan, het geld was tevens een bezwaar. Mijn antwoord: ik begrijp het, maar dat hoeft niet. Bovendien kun je het vlugger als we zo doen: De vakken natuurkunde en wiskunde neem ik. Je komt een paar keer per week een half uurtje voor de middagschooltijd op school, ik ben er dan eveneens, zo kost het je weinig tijd. Ik vraag drie lesgevers van de hoofdakte cursus je richtlijnen te geven en af en toe een tentamen af te nemen over het bestudeerde onderwerp. De nodige boeken koop je op mijn rekening. We doen dat alles kosteloos. Ik durf garanderen, je hebt zo over een jaar, hoogstens 2 je hoofdakte. En nu: doen, doen, doen! Ik kreeg het zo ver. Na een jaar slaagde hij met zeer goede cijfers. Hij wilde het leerbijltje er bij neerleggen. Neen Zoeten, dat niet, je verstand eist meer. Ga door voor Engels l.o. Geen cursus nemen, privaatles, dan schiet je veel vlugger op. Dat kun je. Van mij krijg je privaatles. En nu: doen, doen, doen! Ik kreeg het zo ver. Anderhalf jaar later slaagde Zoeten. Weer wilde Zoeten het leerbijltje er bij neerleggen. “Neen, Zoeten, je verstand vraagt meer. Een zeer goede kennis van me is het hoofd van de Waalse school in Rotterdam. Hij woont hier in Den Haag en is een prima lesgever voor Frans,. Vorig jaar heb ik zijn dochter, onderwijzeres aan een gemeente school hier, gratis les in natuurkunde gegeven voor de hoofdakte, ik vraag hem je les te geven in Frans. Voor half geld, voor niets durf ik niet, hij heeft het geld ook nodig. Half geld is voor mijn rekening. En nu: doen, doen, doen! Ik kreeg het zo ver.

zie ook: www.haagsescholen.nl Marnixschool

Website door Picturae