Honderd Jaar Nederlandsch Lyceum, door Paul Gerretsen, oud-leerling en oud-leraar. 2009

 

Nederland anno 1909. Alom gemor over het onderwijs, het voortgezet onderwijs. Klachten over overladen programma’s, overdreven examendruk zowel op het gymnasium als op de Hogere Burgerschool, de HBS. Zorgen alom over uitval van leerlingen en docenten die het niet aankonden. Waren scholen eigenlijk geen leerfabrieken waar kadaverdiscipline heerste? Werden leerlingen niet het slachtoffer van feitenfetisjisme en examenterreur? Doodde de school niet alle natuurlijke leergierigheid? Leidde dat niet onherroepelijk tot escapisme, spijbelgedrag of schijngedrag? Waren de scholen niet een sprekend voorbeeld van het Duitse gezegde: ‚Wenn Alle schlafen und Einer spricht, so etwas nennt man Unterricht‘? Allard Pierson, de veelgelezen essayist en grondlegger van het gelijknamige museum in Amsterdam, brak in1892 in een artikel in het spraakmakende maandblad De Gids de staf over onderwijs, dat geen ruimte liet aan zelfontplooiing, eigen initiatief, dat elke creativiteit en elk plezier in de kiem smoorde. ‘Wat hebben wij met het jongere geslacht te maken? Allereerst een jong geslacht, levenslustig, vol vertrouwen in menschelijke geestvermogens, vol toekomst. Aristoteles heeft genot en deugd op het nauwst met elkaar verbonden.’ Het was volgens Pierson vanuit dit perspectief gezien erbarmelijk gesteld met het onderwijs: ‘Dat de hersenen worden opgevuld met een overstelping van zaken die geen plaats laat voor het ontkiemen van algemeene gedachten en zelfs de behoefte aan zulke gedachten verhindert op te komen. In één woord: dat de werkheiligheid der Middeleeuwen is vervangen door de weetheiligheid der negentiende eeuw.’ Niet alleen De Gids was een podium voor een levendige discussie over het onderwijs, ook het populaire geïllustreerde weekblad Het leven liet zich niet onbetuigd door het houden van een enquête onder zijn lezers over het Frans. Paste de dominante positie van het Frans nog in een wereld waar het Engels de toon aangaf? Zorgen en vragen te over over het voortgezet onderwijs. Dat het moest anders, daar was iedereen, ook in politieke kringen het eigenlijk wel over eens, maar hoe? En vooral: kon het eigenlijk wel anders? Dat wilden enkele hoge Haagse heren uit de politiek, het bedrijfsleven en de wetenschap wel eens weten. Het bestaande schoolsysteem was in hun ogen door de snelle modernisering van Nederland achterhaald en de tijd drong. Er was nu genoeg gepraat; hoog tijd om de hand aan de ploeg te slaan. Daarom begonnen zij een gewaagd experiment. Een school, toegesneden op de eisen van de tijd, als lichtend voorbeeld voor het gehele Nederlandse onderwijs. Zo zag in 1909 Het Nederlandsch Lyceum het levenslicht. Een school die moest bewijzen dat het anders kon in het onderwijs.

Allereerst wilde Het Nederlandsch een school zijn die eens en voor al afrekende met het vooroordeel dat leren vervelend zou zijn. Uit moest het zijn met het cliché dat het goed was voor hun karakter als leerlingen leerden zuchten en steunen, als zij gebukt zouden gaan onder de dagelijkse last van hun school- en huiswerk. Wat een gemakzucht om zo over het onderwijs te denken. Het Nederlandsch streefde naar onderwijs dat zowel leerlingen en leraren zou inspireren. Het zocht aansluiting bij Aristoteles en bij Hieronymus van Alphen met zijn overbekende: ‘Mijn spelen is leren, mijn leren is spelen.’ Het Lyceum wilde een school zijn die tot de verbeelding sprak, die aansluiting zocht bij de belevingswereld van de leerlingen, nog zo vol van creativiteit en vitaliteit. Wat wisten zij immers in sport en spel, met muziek en toneel niet te bereiken? Grijp dan dat natuurlijke elan aan, stimuleer en ontwikkel het. Onderdruk en breek jeugdige vitaliteit niet door een van boven en van buiten opgelegde discipline. Gebruik de uitbundigheid en waaghalzerij die adolescenten eigen is. Dat was het devies van de charismatische Jan Ligthart, die in binnen- en buitenland met zijn verfrissende en gewaagde opvattingen furore maakte. Schenk leerlingen vertrouwen en waag het met ze, op hoop van zegen. Durf af te wijken van conventies, laat je vooroordelen varen en vertrouw als opvoeder op je natuurlijke intuïtie. Het was deze Ligthart die ooit tegen een jongen zei, die om zijn spijbelen van een andere school gestuurd was: ‘Jij durft tenminste. Zo’n jongen als jij kan ik hier goed gebruiken.’ Van spijbelen was het niet meer gekomen. Ook een andere onderwijscoryfee, Theo Thijssen - bekend als de auteur van zijn onsterfelijke Kees de Jongen -, had een bijna grenzeloos vertrouwen in het natuurlijke leervermogen van kinderen. ‘Gooi al de opstelletjes van je leerlingen in de prullenmand, want ze leren al doende te schrijven’, was zijn raad aan jonge onderwijzers. ‘Het rode potlood maakt ze alleen maar onzeker en doodt hun creativiteit.’ Dat was ook het klimaat van Het Nederlandsch. Non-conformistisch, grenzen verkennend en grensverleggend. Tamelijk gedurfd in die dagen.

Maar enkele Haagse heren, founding fathers van Het Nederlandsch ging het om meer. Hun ambities strekten verder dan onderwijs alleen, hun ideaal was het normaliseren van de verhoudingen binnen het onderwijs met het oog op de samenleving als geheel. Standsverschillen en verschillen van geloof voerden in hun ogen namelijk nog steeds te veel de boventoon. Verschillen die al te vaak tegenstellingen werden; ook in het onderwijs. Waarom toch die vete tussen het elitaire gymnasium en de gewone HBS, die elkaar het licht in de ogen niet gunden? Waarom werden levensbeschouwelijke verschillen voedsel voor politieke tegenstellingen, zoals de strijd over neutraal openbare en confessioneel bijzonder onderwijs? Waren het geen schijntegenstellingen, erfenissen van een achterhaalde tijd, uit een temps perdus? Was het niet de hoogste tijd om iets nieuws te beginnen? Te beginnen met een school als proeftuin om aan te tonen dat het anders kon. Een school als samenleving in het klein, waar saamhorigheid en samenwerking de toon zetten? Als proeftuin voor de normalisering van de samenleving? Samen naar school had het motto kunnen zijn voor het gewaagde experiment, Het Nederlandsch Lyceum.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de Haagse heren overwegend politici van links-liberale signatuur waren, van wie minster Lely – de man van de Zuiderzeewerken – de bekendste was. Hun initiatief werd gesteund door coryfeeën uit wetenschap en bedrijfsleven, zoals de Leidse Nobelprijswinnaar Lorentz en de Groningse grootindustrieel Scholten. Het had iets Amerikaans, hun optreden, in die zin dat zij niet konden geloven in de mislukking van hun plan. Maar dat optimisme stond een behoedzaam opereren niet in de weg. Zij gingen niet over een nacht ijs. Zij hadden al enige ervaring opgedaan met de Haagsche Schoolvereniging die werkte in de geest van Jan Ligthart. Een idylle in onderwijsland. Zorgvuldig onderzocht men of de uitkomsten van dit innovatieve onderwijs ook voortgezet kon worden na de zesde klas. De resultaten wekten zoveel vertrouwen dat de heren aan een volwaardige school voor voortgezet onderwijs durfde te denken: Het Nederlandsch Lyceum. Men gaf zich zes jaar de tijd om te kijken wat het zou worden, de duur van een schoolgeneratie. De aanpak getuigde van een curieuze combinatie van bevlogenheid en nuchterheid, een sterk staaltje van piecemeal engineering, een proces van trial and error. Stap voor stap werd zorgvuldig overwogen, telkens gezocht naar praktische haalbaarheid. Er stond immers meer op het spel dan een school alleen, het Lyceum had iets van een politiek manifest. En daarom stond de kritiek klaar om bij het minste geringste toe te slaan het naar het rijk der fabelen te verwijzen. Om haar de wind uit de zeilen te nemen streefde het Lyceum met man en macht naar resultaten die konden wedijveren met die van de gevestigde scholen. Alleen dan zou Het Nederlandsch tot landelijke navolging kunnen inspireren. Met trots werd dan ook de opmerking van een gecommitteerde bij het eindexamen aan de docent klassieke talen geciteerd: ‘Maar Muller, je moet op een Lyceum niet minder aan de klassieken te doen dan aan een gymnasium, maar meer behoef je er ook niet aan te doen.’

Het experiment slaagde glansrijk. Dat was niet in de laatste plaats te danken aan bevlogen en ervaren bestuurders. Het waren niet de geringsten die hun schouders er onder zetten. Naast Lely en Lorentz mogen genoemd worden de avontuurlijke bankier Kann, financieel zwaargewicht en de non-conformistische advocaat Limburg, gezaghebbend jurist. Zij werden bijgestaan door de charismatische pedagoog Jan Ligthart – wie kent niet zijn Ot en Sien? - en de gezaghebbende onderwijskundige en classicus Gunning. Ook een docent klassieke talen van het Gymnasium Haganum, later zijn rector, schoof aan. Allen waren, zoals gezegd levensbeschouwelijk en politiek van vrijzinnige signatuur, sommigen actief als minister of kamerlid. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat politiek Den Haag met belangstelling keek naar dat eigenzinnige schooltje in de Haagse binnenstad. Bij de opening van het eigen gebouw in 1912 in de Willemstraat verscheen dan ook de crème de la crème van de Haagse politiek. Premier Heemskerk voerde het woord, burgemeester Van Karnebeek gaf acte de présence en tot ieders verbazing vertoonde zich ook de éminence grise van de Antirevolutionairen, Abraham Kuyper, niet in het gebruikelijke zwart maar in een bruin pakje. Zijn onaangekondigde bezoek was overigens niet zonder bijbedoelingen. De stichters van het Lyceum hadden namelijk gekozen voor een bijzondere school omdat alleen dat juridische kader een onderwijskundig experiment mogelijk maakte. Het was een voorlopige keuze in afwachting van een wettelijke regeling die het lyceum als openbare school mogelijk moest maken. Wat dus voor de stichters van het Lyceum een gelegenheidsoplossing was, werd door Kuyper aangegrepen om dit in een lovend artikel zijn lijfblad De Standaard te doen voorkomen als een principiële keuze voor het bijzonder onderwijs. Ook liberalen leken toch eindelijk overstag te zijn gegaan, was de teneur. Ook zij leken het openbaar onderwijs vaarwel gezegd te hebben met de stichting van Het Nederlandsch als bijzondere school. Niets was minder waar. Maar het toont wel aan hoe onderwijs in confessionele kring geheel in de ban was geraakt van de strijd voor bijzonder onderwijs. Voor onderwijskundige vernieuwing leek men daar geen oog te hebben. En het was nu juist deze vernieuwing waar het bij het Lyceum geheel en al om draaide, allerminst de bestuurlijke vorm.

Maar wie boven alles de verdienste voor het welslagen van het experiment toekwam, was de jonge rector Rommert Casimir. Hij stond voor de immense taak om de ambities van het Lyceum waar te maken: eigentijds onderwijs dat tot de verbeelding van leerlingen en leraren sprak. Een school die leerlingen en leraren tot hun recht lieten komen. Dat kon alleen op basis van wederzijds vertrouwen. Het lyceum kenmerkte zich door een zekere kameraadschappelijkheid tussen alle geledingen. Casimir gaf het voorbeeld door leerling met zijn leerlingen te zijn. Zijn steun en toeverlaat was de sprankelende jonge lerares Frans Anna Ahn, vurig adept van Jan Ligthart. Ook anderen lieten zich vinden om zich met hart en ziel in te zetten voor dit gewaagde experiment. Zij namen het karige salaris en de onzekere toekomst voor lief. Eindeloos vergaderden zij over de leerlingen, hun kinderen. Inderdaad, kinderen want ‘schools’ ging het er bepaald niet toe, eerder huiselijk wat heel ongewoon was. Zo liet het kleine dikkertje Freek zich op de stoere schouders van de vaderlijke Casimir nemen, schalks roepend: ‘O ja, mijnheer, in Brussel was ook een olifant en dan mocht je ook op zijn rug rijden.’ Dat was geheel naar het hart van Ligthart, naar wie men wekelijks per paardentram spoorde om zich te laten bijscholen. Ook liet Casimir zich, zo gaat het verhaal, bij een indianenspel op het schoolplein door de lagere klassen aan een boom vastbinden. Ongehoord. Zette hij niet zijn waardigheid en respect als rector op het spel? Niets bleek minder waar. Respect hing immers niet af van uiterlijkheden, maar was een kwestie van innerlijk gezag en dat toonde Casimir als geen ander. Vertrouwen en vriendschap zijn alleen mogelijk als men elkaar persoonlijk kent. Die ervaring persoonlijk gekend te worden was de basis van het Lyceumonderwijs. Daartoe droegen sport, toneel en schoolreizen, georganiseerd door tal van clubs die door leerlingen zelf geleid werden, in niet geringe mate bij. Geen zogenaamde buitenschoolse activiteiten, zoals ze doorgaans genoemd worden, maar wezenlijke aspecten van het schoolleven. Leerlingen en leraren leerden elkaar op deze wijze op een andere, soms verrassende wijze kennen. In de ogen van hun leerlingen bleken leraren ook mensen te zijn. Het kwam hun gezag als opvoeder ten goede, zo heel anders dan men in het traditionele onderwijs vreesde. Niet voor niets prijkte in de rectorskamer de spreuk: ‘Liefhebben - is kwetsbaar zijn.’

Maar er was meer waarin het lyceum zich onderscheidde. Het onderwijs zocht, om effectief te zijn, aansluiting bij de belevingswereld van de leerlingen en wilde rekening houden met hun mentale mogelijkheden. Wat was het bevattingsvermogen van een twaalfjarige en wat betekende dat voor mijn onderwijs? Voor de effectiviteit van het onderwijs was het van wezensbelang zorgvuldig te onderzoeken wat leerlingen werkelijk aankonden. Veronachtzaming hiervan betekende onnodige frustratie voor leerling en leraar. Alles op zijn tijd, was het adagium van het lyceum, al was dat in de praktijk een hele kunst om daar achter te komen. Wat betekende de puberteit voor het leerproces? Wanneer zijn leerlingen rijp voor echt inzicht, voor conceptuele vraagstukken? Welke leeftijd is geschikt voor memoriseren? Vragen die men zonder hulp van de wetenschap niet afdoende kon beantwoorden. Daarom riep het Lyceum in 1918 de eerste leerstoel in de pedagogiek aan de universiteit van Leiden in het leven. Casimir werd haar hoogleraar. Alweer bleek hoe ambitieus de bestuurders waren. Het Lyceum was inderdaad niet zomaar een school, maar ook een laboratorium om de mogelijkheden van nieuwe onderwijsvormen te verkennen, hun resultaten methodisch te toetsen en wetenschappelijk te onderbouwen. Het was een wezenlijk verschil met het bestaande onderwijs. Ook daar zal ontegenzeggelijk ook naar nieuwe wegen gezocht zijn. Maar dat was overwegend het werk eenlingen, op het Lyceum was het een gezamenlijke onderneming. Vernieuwing van het onderwijs mocht niet aan het enthousiasme van een enkeling, dus aan het toeval, overgelaten worden. Casimir zocht daarom eendrachtig met zijn docenten, ondersteund door coryfeeën als Lorentz, Ligthart en Gunning, naar wetenschappelijke onderbouwing van pedagogiek en methodiek. In afwachting van de resultaten smeedde hij een hechte band tussen zijn docenten door persoonlijke gesprekken en vele vergaderingen. Ze waren nog jong, in de kracht van hun leeftijd en raakten geïnspireerd door de taak die ze op hun schouders gelegd kregen, die ze als een roeping leerden te zien. Een Gideonsbende vormden ze. Maar gemakkelijk was het niet. Er werd zoveel meer van hen verwacht dan elders. Onvermoeibaar in het zoeken naar nieuwe wegen, een proces van vallen en opstaan. Nieuwe lesmethoden werden ontworpen, wat niet zelden uitmondde in nieuwe schoolboeken. Soms met uitzonderlijk succes, zoals de idioomboekjes Mots et tournures difficiles en Schwere Wörter, die vele generaties leerlingen in het geheugen gegrift staan. En, wie er talent voor had, organiseerde ook nog in zijn vrije tijd schoolreizen, toneelvoorstellingen en sportactiviteiten. Overmatige inspanningen die doorgaans maar matig gehonoreerd werden en in de samenleving niet erg hoog in aanzien stonden. Casimir waarschuwde daarom voor devaluatie en erosie als de overheid niet zorgde voor een ruimhartiger salariëring, waardoor het beroep van leraar kon concurreren met andere beroepen. Dat was driekwart eeuw geleden en we weten wat er van gekomen is.

In september 1915 schreef Casimir aan Anna Ahn: ‘De eerste zes jaren zijn om: de zes jaren, door ons als termijn gesteld, om ons oordeel uit te spreken over de levensvatbaarheid. Morgen mogen wij beginnen met de overtuiging, dat wij onze levenstaak en ons levenswerk vonden.’ Het Nederlandsch was niet alleen levensvatbaar gebleken, het lyceum als schoolvorm bleek weldra een succes te zijn. Na vijfentwintig jaar telde Nederland ongeveer 45 lycea. Vooral op gemeentelijk niveau werden HBS’en omgevormd tot lycea en ook in confessionele kring vond het lyceum navolging. Een enkele keer werd zelfs een gymnasium een lyceum, zoals in Den Haag met het Maerlant Lyceum het geval was. De lyceumpedagogiek met haar aandacht voor het welbevinden van elke leerling, haar vele ‘buitenschoolse’ activiteiten als reizen, toneel, muziek, sport en spel was en is niet meer weg te denken uit het Nederlandse onderwijs. Zozeer, dat men zich tegenwoordig nauwelijks kan voorstellen dat het ooit anders was. In die zin is Het Nederlandsch een ‘gewone’ school geworden, zoals het zijn stichters voor ogen stond en had het daarmee zijn nationale taak goeddeels vervuld.

Bij de vele stichtingen van lycea was Casimir nauw betrokken, maar bij enkele in het bijzonder, zoals Het Amsterdamsch, Kennemer, Baarnsch en Lorentz Lyceum. Met de moederschool bleven ze een speciale band behouden door de Interlyceales, een jaarlijks sportief en artistiek treffen. Casmirs laatste schepping was het Haagse VCL in 1929. Hij wilde een school die de tolerante geesteshouding, die zo kenmerkend voor de Nederlandse volksaard werd geacht, in het vaandel zou voeren. Een school die wilde werken vanuit een Erasmiaanse mentaliteit. Weer was het een gewaagd experiment. Een lyceum met een algemeen christelijk-humanistisch karakter, zonder confessionele bindingen. Zou dat kunnen? Het waagstuk werd de veelzijdig begaafde Tenhaeff toevertrouwd, sinds 1913 als geschiedenisdocent aan Het Nederlandsch verbonden. Hij werd de eerste rector van het VCL. Ook nu werd Casimirs initiatief een succes. Het jonge lyceum kon zich binnen enkele jaren verheugen in een toestroom van leerlingen die het nauwelijks kon verwerken. De banden tussen de moeder- en dochterschool bleven hecht. In de bezetting bood Het Nederlandsch gastvrij onderdak toen het Van Stolkpark waar het VCL gevestigd was, tot Sperrgebiet was verklaard. En het had niet veel gescheeld of Ten Veldhuys, de populaire docent klassieke talen was de opvolger van Tenhaeff geworden. Het liep anders: hij werd rector van Het Nederlandsch.

Toch was Casimir bij het vijfentwintigjarig bestaan van het Lyceum ondanks dit eclatante succes niet onverdeeld gelukkig. ‘Het Lyceum dat men wenschte, moet nog komen’ schreef hij. Het lyceum had namelijk, tegen alle verwachtingen in, nog steeds geen wettelijke status. Dat had tot gevolg dat het onderwijskundig gezien niet kon uitkomen boven een enigszins hybride samenvoeging van gymnasium en HBS. Elke lyceumleerling moest immers óf een volwaardig gymnasium óf HBS examen doen. Een lyceumexamen bestond niet. Daardoor bleef de inhoudelijke synthese van gymnasium en HBS noodgedwongen uit en raakte de onderwijskundige vernieuwing in de versukkeling. Dat lag niet aan het lyceum maar aan de politiek die maar niet met een wettelijke regeling voor het lyceum kwam. Even leek het te lukken toen in 1926 president-curator Limburg kabinetsformateur werd en Casimir beoogd minister van onderwijs. Op de valreep strandde de formatie. Het was vervolgens wachten op de Mammoetwet uit de jaren zestig tot het lyceum eindelijk wettelijk erkend werd. Meer dan een halve eeuw was Het Nederlandsch illegaal, schreef rector Ten Veldhuys bij het vijftig jarig bestaan in 1959. Wie had dat kunnen denken in 1909? Zeker niet de pioniers van het Lyceum. Gelukkig maar want dan waren ze er waarschijnlijk niet aan begonnen. Wat ze ook niet konden voorzien was de verzuiling, die Nederland tussen de twee wereldoorlogen meer dan ooit verdeelde.

Maar al was Casimir niet helemaal tevreden, zijn school heeft toch ontegenzeggelijk de mentaliteit van het Nederlandse onderwijs veranderd. Wat Ligthart met zijn Ot en Sien was voor het lager onderwijs, dat was Casimir met zijn Lyceum voor het voortgezet onderwijs. Daar mag met gepaste trots en dankbaarheid herinnerd worden nu het een eeuw geleden is dat enkele hoge Haagse heren de hand aan de ploeg sloegen en Het Nederlandsch Lyceum stichtten. Daar werd wat groots verricht!

Website door Picturae